|
Geschiedenis van de kaars
| | |
De kaars was al in de oudheid een bekend verlichtingsmiddel: De Romeinen gebruikten uit vet of was gemaakte candelae, de Germanen maakten kaarsen uit hars of met vet omhuld. In de middeleeuwen werden zij uit bijenwas gegoten; sinds het einde van de 18e eeuw gebruikte men daarnaast spermaceti en rundervet, terwijl later vooral stearine, paraffine of mengsel hiervan worden gebruikt (zgn compositiekaarsen). De Etruriers maakten al gebruikt van kaarsen in hun cultus. Vandaar de terughoudendheid van de vroege christenen. Op den duur werd dit volksgebruik echter in de christelijke eredienst opgenomen, allereerst in de context van de dodencultus, als teken van het eeuwig licht waarin de gelovige is ingegaan. Spoedig ging men ook kaarsen branden op de vereringsplaatsen van de martelaren en heiligen. tenslotte werd de kaars een symbool van de verheerlijkte Jezus. Op de altaartafel zelf worden kaarsen pas sinds de 13e eeuw gebruikt. In het protestantisme van lutherse signatuur het Ned. protestantisme is het gebruik van kaarsen, ook de paaskaars, onder invloed van de liturgische beweging toegenomen
|
Tip een vriend |
|
| |
|
|
|